Veertig jaar Stukadoorsbedrijf De Groot

Veertig jaar Stukadoorsbedrijf De Groot

Stukadoorsbedrijf De Groot BV bestaat volgende week veertig jaar. Met grondlegger Mari de Groot doken we terug in de tijd.

‘Je moet voor jezelf beginnen’, zeiden ze in de jaren zeventig tegen hem. Want als Mari niet aan het werk was als stukadoor, dan was hij wel aan het karweien. ’s Avonds en in de weekenden. Maar bij het starten van je eigen bedrijf kwam in die tijd meer kijken dan het aanvragen van een nummer bij de Kamer van Koophandel. Eerst moest Mari naar de avondschool in Veghel om zijn ‘gezel’ te halen, daarna een jaar lang iedere zaterdag naar Den Haag voor zijn ondernemersdiploma en daarna nog eens een jaar naar Beek & Donk voor zijn middenstandsdiploma.

Officieel mocht hij al die tijd geen klus aannemen: “Een collega in de provincie Zeeland hebben ze in die tijd al zijn materiaal in beslag genomen, omdat hij toch aan de gang was als ondernemer. Ik ben er met een paar boetes van afgekomen … Die nam ik voor lief. Ik wilde vooruit. Het werk lag bovendien voor het oprapen.”

‘Trap op en trap af’

Het is Mari de Groot ten voeten uit: keihard werken en niet bang zijn. “Zo ben ik in beeld gekomen bij de grote aannemers, onder wie Bouwbedrijf Van de Ven, voor wie we trouwens nog steeds werken. Die zagen dat wij goed werk leverden en onze afspraken nakwamen. Ik herinner me een project in Den Bosch: een pand van 10 verdiepingen groot. Met een man of vier hebben we zaterdagen op rij spullen omhoog gesjouwd. Trap op en trap af. De hele dag. Om maar te zorgen dat ze op maandag vooruit konden. Dat zagen de aannemers natuurlijk graag. Wij zorgden wel dat een project vlot getrokken werd.”

Mooie anekdote in dit kader is dat Jan van de Ven – ‘de oude Van de Ven’ – Mari vroeg om op te bouw te komen vertellen dat zij er de volgende kwamen stuken: “We stonden pas de week erop ingepland. Maar het werk vlotte daar voor geen meter. En Jan wist wel dat als ik het een keer liet donderen op de bouw, dat er dan wel garen op de klos zou komen.”

Zijn ogen lachen. De ‘hèndigste’ is hij niet altijd geweest op de bouw. Dat weet hij zelf maar al te goed. Zelf werkte hij keihard. Dat eiste hij ook van anderen. “Mooi is dan dat je later van verschillende mensen die bij ons hebben gewerkt, terug hoort dat ze daar achteraf blij mee waren. Ik durfde ze aan te pakken. Ik durfde ze te zeggen waar het op stond. Daar hebben ze later profijt van gehad. Veertien zijn er voor zichzelf begonnen. Met allemaal hebben we daarna samengewerkt. Zat iemand knel, dan hielpen we elkaar vooruit. Dat vind ik mooi! Dat zegt toch iets.”

Voorop in de markt

Dan die andere eigenschap: niet bang zijn. Mari zei geen nee. Nooit. Hij pakte alles aan. Ook als anderen het niet lukte of het niet durfden. Hij was een van de eerste met een gipsspuit in de regio, liep voorop toen er panden van buitengevelisolatie werden voorzien – ‘De paviljoens in Huize Padua … dat is dertig jaar geleden misschien. Die zien er nog steeds superstrak uit’ – en verdiepte zich in het smeren van squashbanen: “Dat was lastig werk. Soms duurde het een dag voor zo’n wand droog was en je af kon smeren, soms maar een paar uur. Dat had met veel factoren te maken. Daarom durfde bijna niemand dat aan. Wij wel. Wij hebben veel banen gemaakt, tot in Luxemburg aan toe.”

‘Mooi werk’

Tot zijn 62e heeft hij volle bak gestukadoord. Zijn zonen Sander en Erwin werkten toen al mee in het bedrijf, maar kwamen door een zwakke rug op kantoor te zitten. Toen was het tijd voor hem, vond Mari zelf, om een stapje terug te doen. “Het is zwaar werk, maar het is ook ongelofelijk mooi werk. Het is vakwerk. Je hebt machines om de gips op te brengen, maar voor de rest is het handwerk. Daarom geeft het ook voldoening als het resultaat er strak uitziet. Dat heb jij dan gemaakt. En vlak het beroep zeker niet uit. Het duurt vier tot vijf jaar voordat je een goede stukadoor bent.”

Na zijn afscheid heeft hij zich niet meer met het bedrijf bemoeid. Sander en Erwin doen het goed, ziet hij. En sinds kort zit ook neef Bas mee in het bedrijf. “Het loopt goed. Een kantoormens ben ik sowieso nooit geweest. En als ik nu op de bouw kom, heb ik voor negen uur herrie waarschijnlijk … -)”

‘Of ik ABN wilde praten’

Hij is 69. Waar blijft de tijd, vraagt hij zich af. Hij herinnert zich nog als de dag van gisteren dat hij vanuit een kotje op de Boekelsedijk startte, met niks meer dan kruiwagen, een ijzeren schop en een aanhanger. Hij heeft gewerkt, gebouwd, tegenslagen gehad, doorgezet en risico’s genomen. Zijn werk, het stuken, was zijn passie. Tegenwoordig zijn dat zijn paarden.

Veertig jaar. Ze zijn voorbij gevlogen. Maar hij kijkt er met veel plezier op terug, zegt hij, waarna hij nog eens een anekdote aanhaalt: “Eind jaren negentig zat de helft van mijn personeel vast in de sneeuw in Oostenrijk. De pers kreeg daar lucht van. Belden ze me op, of ik ’s avonds aan wilde schuiven in het programma van Paul Witteman. ‘Nee,’ zei, ‘ik moet de paarden nog voeren.’ Uiteindelijk hebben ze me omgepraat en opgehaald. Of ik dan wel ABN wilde praten, vertelden ze van de redactie. ‘Dan draai maar om’, zei ik tegen de chauffeur. Bij Witteman aan tafel vertelde ik dat de dames in bontjassen wel uit de sneeuw werden gered, maar de gewone werkmens niet. Op zijn Erps natuurlijk. Daar ben ik nog heel lang op aangesproken … Ja, het was een mooie tijd.”

Aftrap campagne

Op 23 april is het precies veertig jaar geleden dat Stukadoorsbedrijf De Groot werd opgericht. Met de eigen mensen wordt daar later dit jaar nog bij stilgestaan, naar buiten toe houdt het bedrijf het bescheiden. Wel grijpt het Erpse bedrijf het jubileum aan om actief mensen te gaan werven voor het stukadoorsvak, vertelt Sander de Groot.

“We doen prachtige projecten. En ja, het is soms best zwaar werk. Maar van hard werken is nog niemand ooit slechter geworden, toch? Dat geldt voor een stukadoor ook. Die heeft eer van zijn werk, draait in een fijn team mee en kan een mooie cent verdienen. Het wordt tijd dat we die kant van ons vak eens wat beter gaan benadrukken.”

Hoe ze dat gaan doen? “Daar wordt aan gewerkt. Het gaat erom dat we ouders en jongeren willen laten zien dat we hen écht iets te bieden hebben. Wil je morgen een vak leren? Dan kan je morgen bij ons terecht. Wij leren het je, ook als de boeken niet je beste vriend zijn. En dat wil niet per se zeggen dat je de rest van je leven bij ons zit. De een blijft stukadoor, de ander gaat na een jaar of een tien toch iets anders doen. Prima. We hebben er bij die in de verkoop en zelfs het onderwijs terecht zijn gekomen. Het punt is: ons vak kan een perfecte aanloop zijn naar later …”

Bron: Erpse Krant, april 2019